Wonen, welzijn en zorg

T073 - 534 23 42

Ieder seizoen laat Louis Firing, teamleider tuin, zijn licht schijnen op veranderingen, opvallendheden en weetjes in en over de tuinen van Sint Jozefoord. Dit artikel is tevens verschenen in het cliëntblad 'De Lantaarn'.

Vreugdebrengers

Bij het uitkomen van deze Lantaarn zitten we al weer in de zo­mermaanden, maar de afgelopen maanden heeft zich weer een eeuwenoude traditie herhaalt. Een gebeurtenis die we allemaal kennen en waar velen van ons mee zijn opgegroeid; De terugkeer van de zwaluw uit het zuiden is altijd de voorbode van de ver­dwijnende winter. Het spreekwoord “Eén zwaluw maakt nog geen lente/zomer” geeft aan dat dit altijd een baken is geweest voor de mens. Ik kijk er altijd naar uit.

In feite gaat het in dit geval om drie soorten zwaluwen die in ons land veel voorkomen, na­melijk de boerenzwaluw, de huiszwaluw en de gierzwaluw. Ergens vliegt ook nog de oever­zwaluw rond, maar deze is echt in de minder­heid en onderscheidt zich voornamelijk door zijn broedgedrag (in oevers!). De andere drie soorten zijn echte, aan de mens gebonden soorten. Immers zijn zij voornamelijk te vinden in of op menselijke bouwwerken.

De boerenzwaluw is altijd de eerste die te­rugkeert, zo eind maart, begin april. Zoals zijn naam al verraad, bevindt hij zich voornamelijk in de buurt van boerderijen op het platteland. In overkappingen of schuren, stallen of ach­terhuizen bouwt hij zijn nest op een uitsteken­de paal, balk of soms een grote spijker. Zijn sierlijke vlucht en vrolijke deuntje maakt mij altijd vrolijk, en een nestje jonge boerenzwa­luwen wordt door menig agrariër gekoesterd. Zijn nest van klei en gras is komvorming. Er wordt jaarlijks 2 tot 3 broedsels geproduceerd, hard werken dus.

De huiszwaluw, die meestal eind april arri­veert, is veel meer aan stads- en woonwijken gebonden. Hun kunstig gebouwde nest is een kommetje dat onder dakgoten of overste­kende daklijsten wordt gemetseld met klei en plantendelen, met aan de zijkant een kleine opening. Vaak zie je er ook meerdere bij el­kaar, en de families komen vaak op dezelfde plaats terug. Twee of drie broedsels per jaar komt vaak voor, en soms wordt het laatste broedsel mede grootgebracht door de jongen uit eerdere broedsels. Een echt familiegebeu­ren!

Als laatste, meestal rond 1 mei, komt de gier­zwaluw terug. Dit is wel de meest mysterieuze vogel die we kennen. Het enige moment dat deze vogel niet vliegt is als jong, of als broe­dend wijfje. De rest van zijn leven brengt hij vliegend door: eten, paren en zelfs slapen! Zijn nest bestaat uit een paar sprietjes stro of gras met speeksel aaneengeplakt en bevindt zich onder dakpannen of in spleten onder daklijsten, waar rechtstreeks kan worden ingevlogen. Als het heel slecht weer is kunnen de ouders soms wel een week ver wegvliegen om het slechte weer te omzeilen. De jongen komen dan in een soort lethargische slaap waardoor hun energieverbruik erg afneemt. Als ze eenmaal klaar zijn om te vliegen heb­ben ze slechts 1 kans om uit te vliegen. Als ze op de grond vallen, komen ze niet meer aan vliegen toe. Er is een fantastisch boek ge­schreven door Remco Daalder : “De gierzwa­luw” waarin heel veel beschreven staat over deze fantastische vliegkunstenaar, en hoeveel er nog onbekend is over hem. De moeite waard voor de liefhebber om eens te lezen!

Aan het eind van de zomer verdwijnen deze gasten weer richting het zuiden, om ons weer voor te bereiden op de komende winter. Op de vraag waarom deze vogels ieder jaar weer deze gevaarlijke en zware tocht maken is waarschijnlijk een eenvoudig antwoord: in de zomermaanden is het bij ons wel tot 16 uur licht, waardoor het foerageren wel 4 uur langer kan dan in de landen rond de evenaar. Hierdoor is de kans op broedsucces vele ma­len groter.

Fijne zomer.

Louis Firing

Teamleider Tuin

Lees ook: Bericht uit de tuin lente 2017